Blog 9

 

”Leerdamse stadsgezichten van een Vechtschilder”

 

Syvert Nicolaas Bastert, roepnaam Nicolaas of Nico (Maarsseveen, 7 januari 1854 –Loenen aan de Vecht, 18 april 1939) was een Nederlands kunstschilder, vooral bekend om zijn gezichten langs de

rivier de Vecht. Hij wordt gerekend tot de 'nabloei' van de Haagse School. Bastert werd geboren in een vooraanstaande familie op het landgoed Otterspoor te Maarseveen. Aanvankelijk leek hij voorbestemd voor een carrière in de handel en werkte op kantoor in de handelsonderneming van zijn

vader, Jacob Nicolaas Bastert, te Amsterdam.

 

In het atelier van Marinus Heijl ontmoette hij daar rond 1870 de jonge kunstschilder Geo Poggenbeek,

met wie hij levenslang bevriend zou blijven. Hij koos in deze periode definitief voor de schilderkunst en werd in 1876 toegelaten tot de dagopleiding van de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam. Hij kreeg er tekenles en anatomieleer van August Allebé en esthetica van de

kunstcriticus Joseph Alberdingk Thijm. 

 

In 1878 volgde Bastert een wintercursus aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen en leerde daar Hein Kever en Theo Hanrath kennen. Daarna reisde hij met Poggenbeek

door Zwitserland, Italië en Frankrijk, een periode die Bastert later zou omschrijven als "een groot genieten". Tussen 1880 en 1882 woonden en werkten Poggenbeek en Bastert samen in Amsterdam, in het atelier van Poggenbeek bij het Oosterpark. In 1882 betrok Bastert een eigen atelier in Den Haag. Samen zouden ze in de daaropvolgende zeven jaar echter vaak naar een huisje in Breukelen afreizen om er het Hollandse landschap te schilderen. Bastert maakte er vooral veel riviergezichten bij de Vecht, niet allen in Breukelen maar ook in Maarssen en Nieuwersluis. Het is niet bekend of hij een speciale band met Leerdam heeft gehad, maar er zijn ook meerdere Leerdamse taferelen van hem bekend. 

 

De stijl van Bastert werd sterk beïnvloed door de schilders van de Haagse School. Al snel trok hij de aandacht met zijn werk. Zo noemde de kunstcriticus Jan Veth hem in mei 1888 "De koning van het licht". Hij schreef:  "Op de plaats waar Basterts schilderij hangt, is het als staat er een raam open waardoor men de Vecht in al zijn heerlijkheid aanschouwt". Vanaf 1885 werd er regelmatig werk van hem verkocht. Dit stelde hem in staat in alle rust een eigen stijl te ontwikkelen.

 

In 1924 lezen een positieve recensie over Basterts werk. Het grote doek met het gezicht op Leerdam no. 4 wordt besproken. Gezegd wordt bijvoorbeeld dat ‘achter den rustig en breed gehouden voorgrond, het stille grachtewater met de lucht-weerspiegeling glanst en daarbovenuit, tegen de blauwe wolkenlucht, de compakte huizenmassa, door de stadswallen saamgebonden, verrijst.

Uitmuntend is hier heel die, door een voorbijdrijvende wolk in schaduw gehulde groep daken en muren met kerk en een tweeden toren, boven de grijze wallen uit, stuk voor stuk geschilderd, zuiver geconstrueerd, toch tot één geheel gehouden tegen de onstoffelijk klare, blauwe lucht.'

In 1938 wordt “Leerdam” van Bastert te koop gevraagd. In een brief, gedateerd 1 juli 1938, vraagt Richard Roland Holst – aangetrouwd familielid en in die tijd directeur van de Amsterdamse Academie voor Beeldende Kunsten  het schilderij aan te mogen kopen. Hij heeft het gezien in Pulchri Studio

tijdens de voorjaarstentoonstelling en als voorzitter van de “Rijkscommissie voor advies van opdrachten aan beeldende kunstenaars” wil hij het werk voor een rijksverzameling aanschaffen. De vraagprijs is voor de commissie een klein probleem want meer dan 1000 gulden is voor deze aankoop niet beschikbaar. Uiteindelijk wordt het schilderij voor dat bedrag gekocht. Het is niet precies duidelijk om welk werk van Bastert het hier gaat.

 

Tijdens zijn werkperiode in Den Haag voelde Bastert zich vaak eenzaam. In 1885 betrok hij daarom een atelier in de Oosterparkstaat in Amsterdam, naast dat van Poggenbeek. Later, na zijn huwelijk met Eva Versteeg, vestigde hij zich op het landgoed Zwaanvecht te Nigtevecht. In de eerste decennia van de twintigste eeuw schilderde hij ook vaak in het schildersdorp Heeze. Bastert won gouden medailles op tentoonstellingen in Amsterdam, München en Parijs. Hij was lid van verdiensten van de Academie van Beeldende Kunsten te Rotterdam, van Arti et Amicitiae te Amsterdam en van de Pulchri Studio in Den Haag, waarvan de meeste Haagse Scholers lid waren. Hij was de leermeester van Constantia Arnolda Balwé, Leo Kurpershoek, Marie van Regteren Altena en Eva Emmelina Seelig. Zijn kunstvrienden Poggenbeek en Kever hebben mogelijk sommige werken gelijktijdig ook geschilderd. Het is niet bekend of dit ook voor Leerdamse taferelen geldt.

Nico Bastert overleed in 1939, 85 jaar oud.

In 1956 worden de Leerdamse werken van Bastert weer genoemd in een krantenbericht. Gesuggereerd wordt dat mej. Marius die een handboek heeft samengesteld, onterecht maar 10 regels aan Bastert heeft gewijd.  "Hij is een beschaafd en aangenaam, een zuiver landschapschilder", meer kon er niet af bij mej. Marius. Prange en de schrijver van het artikel verzucht dat alleen deze eigenschappen al heel wat waard zijn. Namelijk dat de twee ‘gezichten op Leerdam’ nog iets meer laten zien, namelijk “dat hij ook een echt schilder was met gevoel voor breedheid en een bepaalde hartstocht."

 

Tussen 5 en 8 november 1940 werd ‘Haven te Leerdam’, een groot werk van Nico Bastert, geveild bij Veiling Frederik Muller. Dit was een bijzondere veiling, omdat bij deze veilingdagen ook een grote kunstcollectie is geveild (in opdracht van het testament van) de Joodse apotheker Emanuel Vita Israël.

Deze Joodse kunstverzamelaar pleegde op 14 mei 1940 zelfmoord, vlak na de Duitse inval. Het is niet helemaal voor de hand liggend te denken dat deze ‘Bastert’ uit de collectie van Vita Israël of Goudstikker (gedwongen Joodse verkoop) komt, want er werd geveild uit diverse particuliere collecties, maar het is wellicht ook niet helemaal uit te sluiten in deze periode tussen

1940 en 1945. (Algemeen Handelsblad, 31-10-1940). 

 

In het boek van Lia de Jonge over Basterts werk worden een aantal werken van

Leerdam genoemd:

1. Potloodtekening S/49 circa 1910 – Diverse voorstellingen, meestal niet uitgewerkt, zeer schetsmatig, o.a. van bomen, wolken en enkele figuurstudies. Ook: gezicht op Leerdam (een andere voorstelling dan van de schilderijen bekend is.) 

2. Potloodtekening S/50 circa 1911, verschillende Vechtgezichten, sommige met boot, een molen, een huisje tussen struiken, een schuur en diverse stadsgezichten, allen uit 1911, van: Breukelen, Kedichem, Ameide, Enkhuizen en Leerdam

3. Schilderij 002 210x370, olieverf op doek, gesigneerd l.o., ’gezicht op Leerdam’

4. Schilderij 067 620x1100, olieverf op doek, gesigneerd r.o., ’gezicht op Leerdam’ (afgebeeld op pag. 76 in boek Lia de Jonge, Nicolaas Bastert, Vechtschilder). 

5. Schilderij 187 480x995, olieverf op doek, 1911/1912, gesigneerd l.o. ’Leerdam in de winter’, bijz.: tentoongesteld in Venetië (1922) en Londen (1925)  (afgebeeld op pag. 81 in boek Lia de Jonge, Nicolaas Bastert, Vechtschilder).

6. Schilderij 189 olieverf, gesigneerd, Leerdam, bijz.: verblijfplaats onbekend

7. Schilderij 191 olieverf, gesigneerd r.o., ‘Haven te Leerdam’, bijz.: verblijfplaats onbekend 

Vanuit deze omschrijvingen vermoeden wij dat schilderij 002 en 189 in bezit zijn van de Gemeente Leerdam. Een is zichtbaar op de expositie ‘Oud-Leerdam’, het grote werk in de imposante ‘gouden’ lijst. Het andere werk hangt in het gemeentehuis en lijkt op wat detailverschillen na, heel

veel op het grotere werk. Het werk ‘Haven te Leerdam’ zou in bezit geweest zijn van Museum het Poorthuis. Mogelijk is dit werk daarna weer teruggaan naar een particuliere collectie. 

 

Bronnen: 

Nicolaas Bastert, Vechtschilder, Lia de Jonge

https://www.verenigingrembrandt.nl/nl/kunst/gezicht-op-de-haven-van-leerdam